Hoezo vrijheid van Onderwijs?

Redacteur Marjolein van den Berg vraagt zich af wat dat ene woordje ‘vrijheid’ eigenlijk inhield, toen dit in 1917 zo fel bevochten was door vooral het katholieke onderwijs. En waarom zijn de meeste scholen nog steeds gebaseerd op een religieuze grondslag en klopt dit niet met de verdeling onder de bevolking? Marjolein onderzoekt de historische bronnen en komt tot verrassende ontdekkingen.

Bron 22-9-2017 cbs: Meer dan 7 op de 10 leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs gaan naar een school met een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag, ook wel bijzonder onderwijs genoemd. Bijna 34 procent van de kinderen in het basisonderwijs kreeg les op een rooms-katholieke school. Ruim 27 procent ging naar een school met een protestants-christelijke levensbeschouwing. Op een openbare school werd zo’n 31 procent van de kinderen onderwezen. De resterende 8 procent genoot onderwijs op scholen met andere levensbeschouwelijke richtingen.

In 2017 hadden we het “jubileum” van 100 jaar vrijheid van onderwijs. Dat klinkt geweldig maar dit “jubileum” is gebaseerd op historische feiten die eigenlijk maar weinig mensen kennen of beseffen.

Historisch poldermodel Onderwijs of onderricht is eeuwenlang voorbehouden geweest aan een selecte groep (religieuze) mensen en werd vormgegeven vanuit de geloofsovertuiging van de Hervormde Kerk.

Tijdens de Franse bezetting werd in 1795 het principe van de scheiding tussen de staat en de kerk in Nederland geïntroduceerd en werd het onderwijs een taak van de staat. Hoewel christelijke scholen niet werden verboden moesten zij wel toestemming krijgen van de overheid, wat overigens niet altijd gebeurde. Op een bekostiging van staatswege hoefden zij al helemaal niet te rekenen. Dit betekende overigens niet dat het religieuze aspect in het onderwijs verdween.

In de schoolwet uit 1806 stond dat openbare scholen de taak hadden om kinderen te onderrichten tot “alle christelijke en maatschappelijke deugden”. Het christendom vormde dus nog steeds een basis van het onderwijs maar de religie mocht niet langer de boventoon voeren en vooral niet te veel nadruk krijgen. Dit betekende in de praktijk dat op de meeste openbare scholen een milde vorm van protestants onderwijs werd gegeven.

Abraham Kuyper Voor veel protestanten was deze mildere vorm van het openbaar onderwijs echter niet religieus genoeg. Onder de leiding van de anti-revolutionair Groen van Prinsterer wilden zij juist een meer religieuze vorm van het openbaar onderwijs.  Abraham Kuyper heeft zich in de loop van de 19de eeuw ingezet om te pleiten voor bijzondere scholen die naast de openbare scholen het bestaansrecht kregen. Na de protestanten begonnen ook de katholieken zich in de schoolstrijd te mengen en boden in 1840 een lijst van klachten aan de Koning Willem 1 over de achtergestelde positie van katholieken in Nederland. Volgens hen zou het openbare onderwijs gevaarlijk zijn voor katholieke kinderen omdat het een te prominente protestantse inslag zou hebben. Zij vonden bovendien dat de katholieken werden gediscrimineerd bij het stichten van eigen scholen.

Thorbecke De katholieken kregen steun uit een totaal onverwachte hoek namelijk van de liberaal Thorbecke. In zijn grondwet uit 1848 benadrukte hij de vrijheid van het onderwijs. Hoewel Thorbecke zelf een voorstander was van het openbaar onderwijs vond hij dat iedereen zijn eigen school mocht stichten als er maar goede leraren voor de klas stonden. De schoolstrijd kreeg hierdoor een nieuwe wending: het recht op bijzonder onderwijs was geregeld. Nu de bekostiging nog.

De plaatselijke verenigingen voor bijzonder onderwijs sloten zich aaneen en groeiden uit tot politieke partijen zoals ARP, CHU en KVP.  Onderling waren er wel grote religieuze verschillen maar zij deelden hun belangrijkste politieke strijdpunt namelijk de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs: principieel en financieel.

Om veranderingen in de toekomst te laten plaatsvinden moet je eerst het heden onderzoeken, als je het heden wilt begrijpen kun je terug naar het verleden

Tegenover de religieuze politieke partijen stonden de liberalen en socialisten die het openbaar onderwijs juist verdedigden, en fel tegen iedere vorm van staatssubsidie waren voor bijzondere (religieuze) scholen. Voor hen was het neutrale openbare onderwijs van cruciaal belang om de bevolking (kinderen) op te kunnen voeden tot moderne zelfdenkende burgers. Er was voor de liberalen en socialisten echter maar 1 politiek strijdpunt dat nog zwaarder woog dan het openbaar onderwijs namelijk het algemeen mannenkiesrecht. Om deze essentiële verandering in de grondwet te kunnen realiseren en door het parlement te krijgen hadden zij echter de steun nodig van een aanzienlijk deel van de confessionelen (religieuze partijen). Hierdoor kregen de religieuzen een significant machtsmiddel in handen, dat zij uiteraard goed hebben ingezet voor hun eigen belangen.

Gelijkschakeling Na jaren van politieke strijd kwam het in 1917 tot een historisch poldermodel. In ruil voor het invoeren van het algemeen mannenkiesrecht (vrouwenkiesrecht in 1919) werd het bijzonder onderwijs grondwettelijk gelijkgesteld aan het openbare onderwijs. Dit betekende dat scholen met een religieuze nominatie voortaan precies evenveel overheidsgeld kregen als de openbare scholen. Deze nieuwe situatie werd vastgelegd in de Lager Onderwijs Wet van 1920 en was het startsein van een ware explosie aan bijzondere scholen in Nederland.

Handjeklap Vanuit mijn eigen beschouwing over deze historische feiten concludeer ik dat het recht op de vrijheid van het onderwijs een hele andere context heeft dan wat je in eerste instantie kunt bedenken bij het woord onderwijsvrijheid. De vrijheid van onderwijs is eigenlijk het eindresultaat van een politieke strijd tussen de conservatieve religieuze partijen en de socialistische en liberale partijen. Mijn inziens is het een soort handjeklap geweest waarbij beide partijen moesten “nivelleren” om hun achterban tevreden te houden, om hun eigen standpunten wettelijk te kunnen realiseren. Mannenkiesrecht versus onderwijsvrijheid.

Vrijheid van onderwijs betekende destijds gelijkstelling van het religieuze onderwijs aan het openbare

Wat mij anno 2019 nog het meeste verbaast is het feit dat nog steeds meer dan 7 op de 10 leerlingen in het primair onderwijs en het voortgezette onderwijs naar een school gaan met een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag! Dit terwijl wij over het algemeen de 20-eeuwse hokjesgeest van de verzuiling ver achter ons hebben gelaten. Het leeglopen en verdwijnen van kerken is hier het bewijs van. Hoe is het dan in godsnaam mogelijk dat schoolbesturen met een religieuze denominatie nog steeds hun voeten zo diep in de aarde hebben in onderwijsland dat zij deze nog steeds landelijk kunnen domineren?

We lopen hopeloos achter De huidige keuze van ouders m.b.t. de onderwijsvrijheid beperkt zich over het algemeen tot het aanbod in de buurt en heeft eigenlijk niets te maken met de religieuze aard van een school. Kozen de ouders in de vorige eeuw nog heel bewust voor een school die bij hun (opgedrongen) religieuze visie paste, tegenwoordig  zoeken zij een school die dichtbij huis is omdat dit nu eenmaal logistiek handig is en vriendjes hier ook naar toe gaan. Dat deze scholen een religieuze achtergrond hebben “nemen ze op de koop toe”, hierdoor ontstaat er dus een vertekend beeld over de vraag (van ouders) en het huidige aanbod (van scholen)! De christelijke of katholieke identiteit, achtergrond en vormgeving van een school bepaalt echter voor een aanzienlijk deel ook de normen en waarden die gehanteerd zullen worden. Er wordt namelijk bewust geselecteerd in het aanbod van leerkrachten. Hierdoor wordt het hokjesdenken uit de vorige eeuwen dus eigenlijk gecontinueerd en ‘onbewust’ overgedragen op de kinderen van de 21ste eeuw.


De wet “Ruimte voor nieuwe scholen” is een farce. Je moet je voorstel indienen bij een bestaand schoolbestuur. Conservatisme ten top

De term “vaardigheden voor de 21 eeuw” wordt te pas en te onpas gebruikt door alle betrokkenen uit het onderwijs, terwijl de vormgeving hiervan wordt belemmerd door het aanbod van scholen en eigenlijk gebaseerd zijn op een politieke strijd, die resulteerde in een wet uit 1917?

*          In deze wet is o.a. opgenomen dat iedereen het recht heeft om een school op te richten> dat klinkt goed toch? Hoe is het dan mogelijk dat vele vernieuwende scholen of scholen met een levensbeschouwelijke visie, anno 2018 nog steeds geen bekostiging kunnen krijgen vanuit staatswege?

*          De vrijheid van onderwijs betekent ook dat ouders voor hun kinderen mogen kiezen tussen openbare scholen, onderwijs dat gebaseerd is op een religieuze of levensbeschouwelijke visie  of thuisonderwijs> dat klinkt zelfs nog beter. Hoe is het dan mogelijk dat het huidige aanbod van scholen niet correspondeert met de huidige samenleving?  En dat thuisonderwijs als een verschrikkelijk taboe wordt bestempeld waar jeugdzorg achteraan moet gaan omdat dit het kind zou benadelen?

*          Hoe kan het dat in artikel 26 van de universele verklaring van de rechten van de mens gesteld wordt dat: ouders in de eerste plaats het recht hebben om de opvoeding te kiezen welke zij hun kind willen gegeven? > Wat wil je eigenlijk nog meer, het staat tenslotte heel duidelijk in de universele verklaring van de rechten van de mens!!! (Bron: Wikipedia)

Thuisonderwijs wordt verketterd alsof het om heksen gaat die we moeten uitroeien en op de brandstapel gooien

In de nieuwe conceptwet “Meer ruimte voor nieuwe scholen” die na jaren van debat en onderzoek op 3 oktober (2018) is ingediend bij de Tweede Kamer > en waarvan de inwerkingtreding afhankelijk is van de parlementaire besluitvorming, schriftelijke vragen van de tweede kamer, het debat van de minister en de meerderheid van de eerste kamer < staat een belangrijke voorwaarde namelijk: dat men bij de oprichting van nieuwe scholen en de toetsing die hieraan vooraf gaat staat vermeld dat zij bij voorkeur moeten aansluiten bij de reeds bestaande besturen. Bestaande besturen met een religieuze denominatie die hun monopolypositie die in de vorige eeuw dankzij de wet onderwijs vrijheid is ontstaan vooral willen behouden? Conservatisme ten top zo zou ik het willen benoemen!

De geschiedenis van het onderwijs in Nederland in een tijdlijn

  De belangrijkste zaken die in de wet werden vastgelegd zijn de volgende:

  • Leraren werden verplicht vanaf 1806 klassikaal les te gaan geven, hierbij werd de oude manier van lesgeven verboden (het zogenaamde hoofdelijk onderwijs)
  • Het onderwijs had de bedoeling zowel de maatschappelijke als de christelijke deugden te onderwijzen
  • Vanaf 1806 moesten onderwijzers bevoegd zijn tot onderwijzen. Daarbij moesten zij examens afleggen waarin zij bewezen dat ze inderdaad bevoegd waren
  • Landelijke inspectie hield toezicht of de nieuwe schoolregels werden nageleefd
  • Ouders werden verplicht schoolgeld te betalen. Wel werd er nog steeds onderscheid gemaakt tussen openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs

Geschiedenis in jaartallen:

  • 1815 – ‘Organiek Besluit’ ‘ (Koninklijk Besluit 2 augustus 1815, aangaande de organisatie van het hoger onderwijs)
  • 1848– Vrijheid van Onderwijs komt in de grondwet : hoogtepunt van de schoolstrijd
  • 1857– Deze Onderwijswet  poogde een einde te maken  aan de schoolstrijd tussen de voorstanders van openbaar en bijzonder onderwijs, die was ontstaan door de Onderwijswet uit 1806.  In deze wet wordt geregeld dat uitsluitend het openbaar onderwijs wordt gesubsidieerd. Het onderwijs op openbare scholen dient toegankelijk te zijn voor kinderen van elke godsdienstige gezindheid en het onderwijs dient neutraal te zijn.
  • 1859 – Voor het eerst rapporteert de overheid de balans van het openbaar basisonderwijs
  • 1863 – Nieuwe wet op het Middelbaar Onderwijs
  • 1866 – Invoering algemene spelling van De Vries/ te Winkel
  • 1874 – Kinderwetje van van Houten, verbood kinderen tot 12 jaar in fabrieken te werken
  • 1876 – Nieuwe wet op het Hoger onderwijs
  • 1895 – Opkomst van het zaakonderwijs van Jan Ligthart als afzetting tegen het aanschouwend onderwijs
  • 1900 – Eerste leerplichtwet in Nederland
  • 1909 – Eerste Lyceum door Rommert Casimir in Den Haag
  • 1914 – Eerste Montessori school in Nederland
  • 1920 – Gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs.
  • 1923 – Eerste Vrije School naar Rudolf Steiner in Den Haag
  • 1930 – Eerste Daltonschool Vijfde Hogere Burgerschool in Den Haag
  • 1934 – Nieuwe spelling van Marchant
  • 1963 – Eerste Jenaplanschool
  • 1968 – Nieuw onderwijsbestel door de Mammoetwet
  • 1985 –  Invoering basisschool: kleuterschool en lagere school worden samengevoegd
  • 1993 – Wet Basisvorming in de onderbouw van de middelbare school
  • 1998 – Invoering Tweede Fase: de vakkenpakketten worden vervangen door profielen
  • 1999 – Vorming vmbo uit mavo en lbo

Gebruikte bronnen in het bovenstaande artikel : NTR en VPRO: Andere tijden aflevering schoolstrijd &Wikipedia.

Marjolein van den Berg